Moeten alle sociaal geriaters nu verpleeghuisarts worden?
Sociaal geriaters zijn al sinds de jaren '80 verbonden aan de ambulante GGZ. Zij worden door de koepelorganisatie van GGZ instellingen, GGZ-Nederland, maar ook door het ministerie van VWS gezien als kerndiscipline van de GGZ voor ouderen.
Voor met name de oudere sociaal geriaters is het ondoenlijk om hun cruciale positie voor anderhalf of twee jaar op te geven om een opleiding te gaan volgen waarna zij zich verpleeghuisarts mogen noemen. Na het CHVG besluit denken velen dat dit voor hen de enige mogelijkheid biedt voor baanbehoud. Niets is minder waar!
Sociaal geriater ben je en sociaal geriater blijf je. Voor de werkgever is het van belang te weten dat hij bekwame artsen in dienst heeft. Het register van Geriopterix biedt die waarborg. Als de werkgever plotseling belang zal gaan hechten aan een erkende specialist, dan komt de verpleeghuisarts of toekomstige algemeen geriater daar ook niet voor in aanmerking. Slechts de psychiater en klinisch psycholoog hebben de BIG artikel 14 specialistenerkenning gekregen. Sociaal geriaters waren volgens het CONO de status van artikel 3 reeds ontstegen en zijn jaren geleden geplaatst in de functie-differentiatiegroep tussen artikel 3 en 14 in. Daar blijven ze voorlopig nog. Het zal niet snel te verwachten zijn dat een verpleeghuisarts of algemeen geriater tot artikel 14 zal worden toegelaten. Artikel 3 zal ongemoeid blijven voor de sociaal geriater.
Voor sociaal geriaters die nog een carrière voor zich hebben en over een aantal jaren zullen meemaken dat de algemeen geriater een kerndiscipline in de GGZ zal zijn, lijkt het verstandig nu reeds de verpleeghuisartsentitel te verwerven. Zij zijn dan op vele werkterreinen inzetbaar.
Voor de oudere sociaal geriaters, die niet van plan zijn hun werkplek en functie uit te breiden is het advies: blijf sociaal geriater en blijf voldoen aan de herregistratie-eisen van Geriopterix. Geriopterix kent een openbaar register, dat ook voor de werkgever in te zien is.